Dag

Datum

Tijdstip

Gebeurtenis

BIJBELTekst

4 dagen voor

Pesach

 

5 dagen voor

Chag haMatzot

10 Nisan

 

De Israëlieten moesten per gezin een gaaf, mannelijk, éénjarig stuk kleinvee apart zetten.

Ex 12:3-5

3 dagen voor Pesach

 

4 dagen voor

Chag haMatzot

11 Nisan

 

 

 

 

 

2 dagen voor Pesach

 

3 dagen voor

Chag haMatzot

12 Nisan

 

 

 

1 dag voor Pesach

 

2 dagen voor

Chag haMatzot

13 Nisan

 

Zij moesten het stuk kleinvee bewaren tot de 14e dag van deze maand.

 

(dus niet tot en met, maar tot, d.w.z. tot het aanbreken van de 14e Nisan en niet later.

Ex 12:6

Pesach

 

1 dag voor

Chag haMatzot

14 Nisan

In de avondschemering

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij zonsondergang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na zonsondergang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Te middernacht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na middernacht

 

 

 

 

 

Later in de nacht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De hele nacht tot de ochtend

 

 

 

 

 

Na zonsopgang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de voormiddag

 

 

 

 

 

De hele dag tot zonsondergang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

’s Avonds tegen zonsondergang

 

De Israëlieten moesten het Pesach-lam slachten

in de avondschemering.

 

(letterlijk staat hier: “tussen de beide avonden”. Daarmee wordt de zonsondergang bedoeld als overgang van de avond aan het einde van de 13e en de avond aan het begin van de 14e Nisan).

 

De Israëlieten moesten het Pesach-lam slachten

tegen de avond, als de zon ondergaat

 

(op het tijdstip van de uittocht uit Egypte, die precies 24 uur later heeft plaatsgevonden).

 

Zij moesten het bloed van het lam met een bundel hysop strijken aan de beide deurposten van hun huizen en aan de bovendorpel.

 

Zij moesten het Pesach-lam op het vuur braden met kop, schenkels en ingewanden.

 

Het is een Mitz’va, een opdracht van Adonai om het Pesach te vieren op de 14e Nisan en dus niet op de 15e zoals men nu doet!

Het gebraden vlees van het lam moesten zij nog in dezelfde nacht eten met ongezuurde broden en bittere kruiden.

 

Geen onbesnedene mocht van het Pesach-lam eten.

 

Men mocht van het vlees niets overlaten tot de morgen.

 

Men mocht van het vlees niets uit het huis naar buiten brengen.

 

Niemand van de Israëlieten mocht de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen.

 

(Zij bleven dus de hele nacht binnen. De uittocht uit Egypte kon derhalve niet in diezelfde nacht plaatsgevonden hebben!)

 

De engel des doods trok te middernacht door het hele land Egypte om alle eerstgeborenen te doden, maar aan de huizen der Israëlieten ging hij voorbij wanneer hij het bloed aan de beide deurposten en de bovendorpel zag.

 

(Het Hebreeuwse woord voor ‘overslaan’, ‘voorbijgaan’ of ‘passeren’ is hier ‘pesach’ en in de Tora staat duidelijk, dat dit pesach, dat te middernacht plaatsvond, op en niet na de 14e Nisan gevierd moet worden).

 

De farao stond des nachts op en alle Egyptenaren, en er was een luid gejammer, want er was geen huis waarin geen dode was.

 

De farao gaf aan de Israëlieten toestemming om te vertrekken.

 

(Het moet enige tijd in beslag hebben genomen om dit besluit aan de Israëlieten en ook aan de Egyptenaren bekend te maken).

De Egyptenaren drongen eveneens sterk bij het volk aan om het land zo snel mogelijk te verlaten.

 

(Zij moesten daarvoor natuurlijk eerst op de hoogte gebracht zijn dat het ook van de farao mocht).

 

De Israëlieten mochten van de farao weliswaar meteen vertrekken, maar van de Eeuwige mocht dat nog niet, want zij moesten tot de ochtend binnen blijven.

 

Wat er van het gebraden Pesach-lam overgebleven was moest ’s morgens met vuur worden verbrand.

 

(Dit toont aan dat de Israëlieten tot aan de ochtend binnenshuis waren gebleven en dus nog niet in deze, maar in de nacht daarop uit Egypte waren vertrokken).

 

In opdracht van Adonai vroegen de Israëlieten aan de Egyptenaren zilveren en gouden voorwerpen en kostbare klederen.

 

De Israëlieten moesten zich vanuit alle delen van het land Goshen, dat 30 tot 40 mijl in de lengterichting beslaat, met al hun have en hun vee lopend naar de verzamelplaats Ra’amses begeven om van daaruit gezamenlijk te vertrekken. Aangezien de tussen 2 en 3 miljoen Israëlieten zo een groot gebied bewoonden, zullen zij daarvoor de hele dag nodig gehad hebben.

 

Vanaf de avond aan het einde van de 14e Nisan moeten de Israëlieten

ongezuurde broden eten tot de avond aan het einde van de 21e Nisan. Zeven dagen lang mogen zij niets eten wat gezuurd is.

Ex 12:6 en 21

Lv 23:5

Nu 9:2-5 en 11

 

 

 

 

 

 

 

Dt 16:6

 

 

 

 

 

 

 

Ex 12:7 en 22

 

 

 

 

 

Ex 12:9

 

 

 

 

Ex 12:8-10

Ex 43-49

Lv 23:5

Nu 9:2-14

Nu 28:16

Ex 12:8

Nu 9:11

 

 

 

 

Ex 12:43-49

 

 

Ex 12:10

Nu 9:12

 

 

Ex 12:46

 

 

 

Ex 12:22

 

 

 

 

 

 

 

Ex 11:4-6

Ex 12:12-13

Ex 12:23 en 27

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ex 11:6

Ex 12:30

 

 

 

 

Ex 12:31-32

 

 

 

 

 

 

Ex 12:33

 

 

 

 

 

 

 

Ex 12:22

 

 

 

 

 

 

Ex 12:10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ex 3:21-22

Ex 11:2-3

Ex 12:35-36

 

 

 

Ex 12:37

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ex 12:18-21

 

1e dag van Chag haMatzot

 

extra

Shabat

15 Nisan

Bij zonsondergang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na zonsondergang

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De hele nacht

De uittocht uit Egypte begon bij het aanbreken van de 15e Nisan op hetzelfde tijdstip waarop 24 uur eerder het Pesach-lam geslacht werd, namelijk bij zonsondergang.

 

(Er lag dus precies een etmaal tussen het slachten van het lam en de uittocht uit Egypte en daarom kan de Sederavond niet bij het begin van de 15e Nisan gevierd worden).

 

Op de vijftiende dag van de eerste maand verlieten de Israëlieten Ra’amses;

voor de ogen van alle Egyptenaren trokken ze de dag na het Pesach-maal onbevreesd weg.

 

(Als zij de Pesach-maaltijd pas bij het begin van de 15e hadden gehouden zoals nu in de Joodse traditie gedaan wordt, dan zou de uittocht pas op de 16e hebben plaatsgevonden hetgeen volgens dit vers niet het geval was).

 

De Egyptenaren waren toen hun eerstgeborenen, die de Eeuwige gedood had, aan het begraven.

 

De Israëlieten trokken te voet van Ra’amses naar Sukot, ongeveer zeshonderdduizend man, de vrouwen en kinderen niet meegerekend, terwijl er bovendien een menigte van allerlei herkomst met hen meetrok. Ze voerden enorme kudden schapen, geiten en runderen mee.

 

De daadwerkelijke uittocht vond dus plaats in de nacht en de Israëlieten bleven de hele nacht doorlopen om zo snel mogelijk over de grens te zijn. Een nacht van waken was dit voor de Eeuwige, om hen uit het land Egypte te leiden.

De Israëlieten moeten elk jaar vanaf de 15e t/m de 21e Nisan het feest van de ongezuurde broden vieren om daarmee de uittocht uit Egypte te herdenken.

 

Op de eerste dag van het feest moeten zij een heilige samenkomst houden en zij mogen op die dag geen slaafse arbeid verrichten.

Dt 16:6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu 33:3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu 33:4

 

 

 

 

Ex 12:37-38

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ex 12:42

Dt 16:1

 

 

 

 

 

 

 

Ex 12:15-20

Ex 23:15,

Ex 34:18

Lv 23:6-8

Nu 28:17-25

Dt 16:3,4 en 8

 

Ex 12:16

Lv 23:7

Nu 28:18

2e dag van Chag haMatzot

16 Nisan

 

 

 

3e dag van Chag haMatzot

17 Nisan

 

 

 

4e dag van Chag haMatzot

18 Nisan

 

 

 

5e dag van Chag haMatzot

19 Nisan

 

 

 

6e dag van Chag haMatzot

20 Nisan

 

 

 

7e dag van Chag haMatzot

 

extra

Shabat

21 Nisan

 

Op de zevende dag van het feest van de ongezuurde broden moeten de Israëlieten een heilige samenkomst houden en zij mogen op die dag geen slaafse arbeid verrichten.

Ex 12:16

Nu 28:25

Lv 23:8

Dt 16:8

 

 

Pesach en Chag haMatzot zijn twee aparte feesten die op twee aparte data gevierd worden:

 

“In de eerste maand, op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het Pesach voor de Eeuwige. En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de Eeuwige, zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.” (Lv 23:5-6)

 

“En in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zal het Pesach voor de Eeuwige zijn. Op de vijftiende dag dier maand zal er een feest zijn; zeven dagen lang zullen ongezuurde broden worden gegeten.” (Nu 28:16-17)

 

“En op de veertiende van de eerste maand vierden zij die in de ballingschap geweest waren, het Pesach. Ook vierden zij het feest der ongezuurde broden met vreugde, gedurende zeven dagen, want de Eeuwige had hen verblijd!” (Ezra 6:19 en 22)